Pagina Selecteren

Een opslagruimte voor gevaarlijke stoffen kan er op het eerste gezicht overzichtelijk uitzien. De verpakkingen zijn gesloten, de etiketten zijn zichtbaar en de pallets staan netjes in de stellingen. Toch kan juist de combinatie van verschillende stoffen een groot risico vormen. Wanneer twee producten door lekkage met elkaar in contact komen, kan een reactie ontstaan die veel gevaarlijker is dan de afzonderlijke eigenschappen van de stoffen doen vermoeden.

Daarom besteedt PGS 15 uitgebreid aandacht aan het gescheiden opslaan van gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij niet alleen om het plaatsen van producten in verschillende vakken. Ook de onderlinge afstand, de opvang van lekkages, de verticale indeling van stellingen en de bereikbaarheid van de opslagruimte spelen een belangrijke rol.

PGS 15:2025 is van toepassing op de opslag en tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen van verschillende ADR-klassen, CMR-/CLP-stoffen en bepaalde afvalstoffen. De eisen voor scheiding en vakindeling zijn onder andere opgenomen in paragraaf 7.3.3 en in Bijlage E.

Waarom worden gevaarlijke stoffen in vakken opgeslagen?

Het opslaan van gevaarlijke stoffen en CMR-/CLP-stoffen in afzonderlijke vakken kan noodzakelijk zijn, afhankelijk van het veiligheidsniveau van de opslagvoorziening. Een vak is een duidelijk begrensd gedeelte van de opslagruimte waarin een bepaalde hoeveelheid stoffen wordt geplaatst.

De vakindeling heeft volgens PGS 15 vier belangrijke doelen.

  • Het eerste doel is het mogelijk maken van de opslag van verschillende ADR-klassen in één opslagruimte. Stoffen die niet zonder meer bij elkaar mogen staan, kunnen soms toch binnen hetzelfde gebouw worden opgeslagen wanneer zij door vakken, afstanden, lekbakken of scheidingsconstructies voldoende van elkaar worden gescheiden.
  • Het tweede doel is het voorkomen of vertragen van brandoverslag. Wanneer in één vak brand ontstaat, moet worden voorkomen dat de warmte door straling of convectie direct leidt tot een brand in een naastgelegen vak.
  • Het derde doel heeft betrekking op vloeistofbranden. Een brandbare vloeistof kan na lekkage over de vloer stromen. Wanneer de vloeistof zich ongehinderd naar een ander vak kan verspreiden, kan ook daar brand ontstaan. Een goede opvangvoorziening en vakindeling moeten deze uitbreiding voorkomen.
  • Het vierde doel is de bereikbaarheid bij incidenten. Medewerkers, bedrijfshulpverleners en de brandweer moeten een lekkage, ongeval of beginnende brand kunnen bereiken zonder eerst grote hoeveelheden goederen te moeten verplaatsen. Gangpaden en vrije ruimten zijn daarom niet alleen bedoeld voor de normale bedrijfsvoering, maar vormen ook een belangrijk onderdeel van de incidentbestrijding.

M35: het voorkomen van gevaarlijke reacties

Maatregel M35 vormt het belangrijkste uitgangspunt voor de stoffenscheiding. Deze maatregel bepaalt dat verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-/CLP-stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen aangaan, gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen.

Het gaat niet om iedere denkbare chemische reactie. De maatregel richt zich vooral op reacties waarbij een sterke verhoging van temperatuur of druk kan optreden, of waarbij gassen ontstaan die giftiger of brandbaarder zijn dan op basis van de afzonderlijke stoffen mocht worden verwacht.

Het doel is dus te voorkomen dat een relatief beperkte lekkage zich ontwikkelt tot een ernstig incident. Een verpakking met een zuur kan bijvoorbeeld beschadigd raken door een heftruckbeweging of door een vallende pallet. Wanneer het zuur vervolgens in contact komt met een base, kan een sterk exotherme reactie ontstaan. Daarbij kan veel warmte vrijkomen en kan het mengsel gaan koken of spatten.

Een ander bekend voorbeeld is de combinatie van brandbare vloeistoffen en oxiderende stoffen. Brandbare vloeistoffen van ADR-klasse 3 kunnen bij ontsteking een aanzienlijke brand veroorzaken. Oxiderende stoffen van ADR-klasse 5.1 kunnen zuurstof afgeven of een verbranding sterk bevorderen. Wanneer deze stoffen gelijktijdig vrijkomen, kan het brandverloop veel heviger worden. In Bijlage E van PGS 15 is daarom aangegeven dat brandbare vloeistoffen en oxiderende stoffen in aparte vakken moeten worden opgeslagen.

Ook zuren en logen moeten van elkaar worden gescheiden. Beide vallen doorgaans onder ADR-klasse 8, maar het feit dat zij hetzelfde gevarenetiket dragen, betekent niet dat zij veilig gezamenlijk kunnen worden opgeslagen. Binnen ADR-klasse 8 kunnen stoffen onderling zeer verschillend reageren. Er moet daarom altijd worden vastgesteld of het product zuur, basisch of anderszins reactief is.

Niet alleen naar het ADR-etiket kijken

Een veelgemaakte fout is dat de vakindeling uitsluitend wordt gebaseerd op het hoofdgevaar volgens het ADR. Voor een juiste beoordeling moeten ook bijkomende gevaren en de chemische eigenschappen van het product worden meegenomen.

Een stof kan bijvoorbeeld als brandbare vloeistof zijn ingedeeld, maar daarnaast ook giftige of bijtende eigenschappen hebben. Alleen kijken naar het etiket van ADR-klasse 3 is dan onvoldoende. PGS 15 verlangt dat bij de beoordeling alle eigenschappen van de gevaarlijke stof worden betrokken, inclusief de bijkomende gevarenlabels.

De belangrijkste informatie is meestal te vinden in het veiligheidsinformatieblad, ook wel VIB, SDS of MSDS genoemd. Vooral de volgende onderdelen zijn relevant:

  • rubriek 2: identificatie van de gevaren;
  • rubriek 7: hantering en opslag;
  • rubriek 9: fysische en chemische eigenschappen;
  • rubriek 10: stabiliteit en reactiviteit;
  • rubriek 14: informatie met betrekking tot het vervoer.

Met name rubriek 10 kan informatie bevatten over stoffen waarmee contact moet worden vermeden. Denk aan zuren, basen, oxidatiemiddelen, reductiemiddelen, water of brandbare materialen.

Bijlage E van PGS 15 bevat een combinatietabel voor verschillende ADR-klassen. Van deze tabel mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer bijvoorbeeld uit de veiligheidsinformatiebladen blijkt dat de producten niet met elkaar reageren. Ook een onderbouwde beoordeling op basis van de concentratie, verschijningsvorm of aanvullende technische informatie kan relevant zijn. Zo zullen twee vaste stoffen soms een veel kleinere kans op onderlinge reactie hebben dan twee vloeistoffen die zich na lekkage gemakkelijk kunnen mengen.

Uitzondering voor LQ en EQ

M35 is niet van toepassing op stoffen in transportverpakkingen die vallen onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden of vrijgestelde hoeveelheden. Deze regimes staan bekend als Limited Quantities, oftewel LQ, en Excepted Quantities, oftewel EQ.

Het gaat hierbij om relatief kleine binnenverpakkingen die in een tweede buitenverpakking zijn geplaatst. Bij beschadiging komt doorgaans slechts een beperkte hoeveelheid product vrij. Daardoor is de kans kleiner dat een lekkage leidt tot een grootschalige reactie met een ander product.

Deze uitzondering betekent echter niet dat LQ- en EQ-verpakkingen zonder enige beoordeling overal mogen worden geplaatst. Andere risico’s, zoals brandbelasting, bereikbaarheid, stabiliteit van de opslag en beschadiging van verpakkingen, blijven bestaan. Bovendien kunnen voor bepaalde opslagvoorzieningen of productgroepen aanvullende voorwaarden gelden.

M36: ook verticaal scheiden in stellingen

Stoffenscheiding wordt in de praktijk vaak uitsluitend horizontaal bekeken. Zuren worden bijvoorbeeld links in het magazijn geplaatst en logen rechts. In een stellingopslag moet echter ook rekening worden gehouden met de verticale positie van de producten.

M36 bepaalt dat opslag in een stelling moet voldoen aan de regels voor gescheiden opslag uit M35. Stoffen die gevaarlijk met elkaar kunnen reageren, mogen dus niet boven elkaar worden geplaatst.

Een lekkende verpakking op een hoger gelegen stellingniveau kan immers producten op verschillende niveaus daaronder verontreinigen. Wanneer een zuur boven een base staat, kan een lekkage rechtstreeks tot contact tussen beide stoffen leiden. Ook kan een corrosieve vloeistof verpakkingen, pallets of stellingonderdelen op lagere niveaus aantasten.

Een veilige stellingindeling vraagt daarom om meer dan alleen een plattegrond. De volledige stelling moet per niveau worden beoordeeld. Daarbij moet onder andere worden gekeken naar de chemische compatibiliteit, de verpakking, de opvangvoorziening en de mogelijke stroomrichting van een lekkage.

Zware vloeistofverpakkingen worden bij voorkeur op lagere niveaus geplaatst. Dit verkleint het valrisico en beperkt de verspreiding wanneer een verpakking beschadigd raakt. Het gebruik van afzonderlijke lekbakken kan daarnaast voorkomen dat verschillende productgroepen na lekkage met elkaar in contact komen.

Verschillende manieren om stoffen te scheiden

Gescheiden opslag betekent niet automatisch dat voor iedere ADR-klasse een volledig afzonderlijk gebouw nodig is. PGS 15 kent verschillende manieren om scheiding te realiseren.

Bij opslag in aparte vakken mogen de stoffen in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar worden zij in duidelijk gescheiden gebieden geplaatst. Voor opslagvoorzieningen met veiligheidsniveau A of B geldt in beginsel een maximale vakgrootte van 300 m². De vakken kunnen worden gescheiden door een gangpad van minimaal 3,5 meter of door een scheidingsconstructie met een brandwerendheid van ten minste 30 minuten.

Wanneer geen volledig apart vak nodig is, kan scheiding soms binnen een vak worden gerealiseerd. Dat kan bijvoorbeeld door een vrije afstand van minimaal twee meter aan te houden. Ook kan tussen twee onverenigbare productgroepen over een breedte van minimaal twee meter een andere productgroep worden geplaatst waarmee gezamenlijke opslag wel is toegestaan.

Een andere praktische mogelijkheid is het gebruik van afzonderlijke lekbakken. Deze oplossing wordt vaak toegepast in kleinere opslagvoorzieningen. De lekbakken moeten dan wel voldoende inhoud hebben, bestand zijn tegen de opgeslagen stoffen en zo zijn geplaatst dat vloeistoffen niet alsnog van de ene opvangvoorziening naar de andere kunnen stromen.

Voor bepaalde risicovolle combinaties kan een apart brandcompartiment of een afgescheiden gedeelte met een brandwerende wand noodzakelijk zijn. Welke oplossing passend is, hangt af van de ADR-klasse, de verpakkingsgroep, de hoeveelheden, het veiligheidsniveau en de specifieke chemische eigenschappen van de producten.

M37: groeperen van gasflessen

Voor gasflessen geldt een enigszins andere benadering. M37 bepaalt dat gasflessen met gassen met gelijksoortige gevaarseigenschappen gegroepeerd moeten worden opgeslagen.

Het belangrijkste doel hiervan is het beperken van verwisselingen en het ondersteunen van een effectieve incidentbestrijding. Gasflessen met een vergelijkbare kleurcodering op de schouder worden daarom zoveel mogelijk bij elkaar geplaatst. Hierdoor kunnen medewerkers en hulpdiensten sneller herkennen met welke soorten gassen zij te maken hebben.

Wanneer lege gasflessen afzonderlijk van volle gasflessen worden opgeslagen, hoeven de lege flessen niet verder te worden gegroepeerd. Hierbij moet wel worden bedacht dat een lege, ongereinigde gasfles nog restdruk en een gevaarlijke restinhoud kan bevatten.

De groepering van gasflessen is niet hetzelfde als de scheiding van onverenigbare vloeistoffen en vaste stoffen. Bij gasflessen wordt vooral gekeken naar herkenbaarheid, beheersing en het optreden tijdens calamiteiten. M37 sluit niet uit dat flessen met verschillende gassoorten relatief dicht bij elkaar worden opgeslagen.

Maak van stoffenscheiding een beheerst proces

Een goede vakindeling begint met een volledige stoffenlijst. Per product moeten ten minste de handelsnaam, het UN-nummer, de ADR-klasse, de verpakkingsgroep, de bijkomende gevaren en de relevante chemische eigenschappen bekend zijn.

Vervolgens kan een scheidingsmatrix worden opgesteld. Daarin wordt per productgroep vastgelegd welke combinaties zijn toegestaan, welke combinaties nader beoordeeld moeten worden en welke combinaties fysiek gescheiden moeten blijven.

Deze matrix moet worden vertaald naar de magazijnindeling. Vakken, stellingniveaus en lekbakken behoren duidelijk herkenbaar te zijn. Ook tijdelijke plaatsing tijdens ontvangst, orderpicking of verzending moet worden meegenomen. Juist op tijdelijke locaties ontstaan regelmatig afwijkingen van de vastgestelde stoffenscheiding.

Medewerkers moeten bovendien begrijpen waarom producten niet zomaar mogen worden verplaatst. Een medewerker die uitsluitend op artikelnummer, beschikbare ruimte of logistieke snelheid stuurt, kan onbedoeld een onverenigbare combinatie creëren.

Vergroot de PGS 15-kennis binnen de organisatie

Het toepassen van PGS 15 vraagt om kennis van ADR-klassen, veiligheidsinformatiebladen, opvangvoorzieningen, brandveiligheid en chemische reacties. Alleen een plattegrond met gekleurde vakken is niet voldoende. Medewerkers moeten begrijpen welke risico’s met de opgeslagen stoffen samenhangen en welke gevolgen een verkeerde plaatsing kan hebben.

Tijdens de PGS 15-cursus via open inschrijving worden de belangrijkste uitgangspunten van de richtlijn praktisch behandeld. Deelnemers leren onder andere hoe zij het toepassingsgebied bepalen, stoffen indelen, opslagvoorzieningen beoordelen en de regels voor stoffenscheiding toepassen.

Voor medewerkers die liever zelfstandig en in hun eigen tempo leren, is er ook een e-learning Cursus PGS 15. Deze online opleiding is direct beschikbaar en richt zich op personen die betrokken zijn bij de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen.

Een juiste scheiding van gevaarlijke stoffen is uiteindelijk geen administratieve verplichting, maar een essentiële veiligheidsmaatregel. Door brandbare vloeistoffen te scheiden van oxiderende stoffen, zuren van logen te scheiden en ook in stellingen rekening te houden met onverenigbare combinaties, kan worden voorkomen dat een beperkte lekkage uitgroeit tot een ernstig incident.